Wie minder
wachtlijsten wil, beter onderwijs of
meer woningen, zal iets moeten doen
aan de hoge regeldruk uit Den Haag,
vinden
Huub Dijstelbloem, Ewald
Engelen, Pauline Meurs en Erik
Schrijvers.
Wachtlijsten
in de zorg, pyjamadagen voor ouderen,
inefficiënte bedrijfsvoering en veel
te veel bureaucratie, dat is zo
ongeveer het beeld dat de burger heeft
van de maatschappelijke
dienstverlening. Hij maakt zich grote
zorgen om de kwaliteit. Maar ook
dienstverleners zelf zijn ontevreden.
Zij vinden dat ze te weinig ruimte
hebben om hun professie goed te kunnen
uitoefenen. In het onderwijs houden te
veel regels docenten van het werk, de
professional in het welzijnswerk wordt
ondergewaardeerd, het invullen van
registratieformulieren neemt steeds
meer tijd in beslag. En bovendien,
vinden de dienstverleners, worden ze
afgerekend op de verkeerde resultaten.
De overheid, ten slotte, lijkt haar
greep op de sector te hebben verloren.
Zij zwabbert tussen controle door de
staat en de tucht van de markt.
Hoe is deze
situatie ontstaan? Doordat de
maatschappelijke dienstverlening
gefixeerd is geraakt op het managen en
beheersen van risico's, met eenzijdige
nadruk op controle. Het optreden van
de overheid in het afgelopen decennium
heeft daar eerder aan bijgedragen dan
aan afgedaan. Er zijn verschillende
operaties uitgevoerd om beleid en
uitvoering duidelijker te scheiden. De
winst zou moeten zijn dat de vrijheid
van uitvoering terugkomt bij de
professionals, terwijl de (politieke)
beleidsdiscussie weer meer over de
hoofdlijnen zou moeten gaan. Via
systemen van verantwoording zou de
controle op de `verplaatste'
uitvoering dienen te geschieden.
Vanuit deze
visie is in de volkshuisvesting de
financiële sturing door de overheid
grotendeels opgeheven ten gunste van
grotere bestuurlijke vrijheid voor de
woningbouwcorporaties. In de
gezondheidszorg wordt een nieuwe
zorgautoriteit opgericht, terwijl op
onderdelen meer marktwerking is
ingevoerd. De kinderopvang wordt
geprivatiseerd en de
arbeidsvoorziening is op onderdelen
verzelfstandigd. Deze opzet is maar
zeer ten dele geslaagd. In veel
gevallen zijn juist nieuwe vormen van
bureaucratie en onheldere verhoudingen
in het leven geroepen. Om controle te
houden op de financiën, de kwaliteit
van de dienstverlening en de
uitvoering van de doelstellingen, is
een heel stelsel van interne en
externe toezichthouders opgetuigd.
Maar bestuurders en professionals
weten soms nog steeds niet aan wie en
waarover zij verantwoording moeten
afleggen. Dat veroorzaakt middelmatige
prestaties van instellingen, omdat
risico's vermeden worden en de
(gemiddelde) norm wordt nagestreefd.
Voor politici is onduidelijk tot
hoever hun bevoegdheid strekt, terwijl
zij er door het publiek wel
verantwoordelijk voor worden gehouden
en op worden aangesproken. Kenmerkend
voor het door de overheid gevoerde
beleid is de hang naar zuiverheid die
er uit spreekt. Verantwoordelijkheden
moeten liggen ofwel bij de overheid
(eerst) ofwel bij marktpartijen
(daarna). Daarmee wordt echter een
belangrijk kenmerk van de Nederlandse
verzorgingsstaat ontkend: dat zij tot
stand is gekomen en functioneert in
een gedeelde publieke ruimte.
Er is niet
één machtscentrum vanwaaruit de
koers wordt bepaald. Evenmin is er
sprake van een eenduidig normatief
kader op basis waarvan kan worden
vastgesteld wat afdoende
toegankelijkheid, kwaliteit en
doelmatigheid is. De maatschappelijke
dienstverlening, voortgekomen uit het
particulier initiatief, is nimmer
volledig verstatelijkt noch volledig
vermarktbaar. `Wie betaalt bepaalt'
geldt dan ook alleen in afgezwakte
zin. De financiële regimes zijn in de
meeste gevallen gemengde systemen. In
de volksgezondheid en de
volkshuisvesting is de financiële
onafhankelijkheid het grootst, in de
welzijnssector en het basisonderwijs
het kleinst. Dat heeft belangrijke
gevolgen voor de instrumenten die de
overheid heeft om de sectoren
inhoudelijk te sturen. Waar sprake is
van grote financiële afhankelijkheid
heeft de overheid veel in de melk te
brokkelen, waar de afhankelijkheid
gering is heeft zij weinig te
vertellen. Te lang is dat laatste als
een probleem gezien. Daardoor is veel
tijd en moeite gaan zitten in
vruchteloze grensconflicten met
professionals en instellingen.
Uiteindelijk
is de cliënt daarvan de dupe. Maar
het hybride karakter van de
maatschappelijke dienstverlening is
geen zwakte, maar juist een kracht.
Daarvoor hebben we de volgende
redenen. Alle Europese
verzorgingsstaten worstelen met de
vraag hoe toegankelijkheid en
kwaliteit te garanderen onder
budgettaire druk. Door vergrijzing,
gestegen verwachtingen en
individualisering zal die druk de
komende decennia alleen maar heviger
worden. Het antwoord daarop kan niet
op nationaal niveau worden gevonden,
maar zal steeds opnieuw, van dag tot
dag en in steeds wisselende situaties,
moeten worden bepaald door
professionals en instellingen in nauw
overleg met hun cliënten. Dat vereist
een regime dat recht doet aan de
eigenstandige plaats van
professionals, instellingen, cliënten
en overheden in dat
afwegingsproces.
Het gemengde
Nederlandse bestel voldoet daar bij
uitstek aan. In een individualiserende
samenleving voldoen centrale
besturingsfilosofieën minder en
minder. Voor de oplossing van
maatschappelijke vraagstukken is de
lokale kennis nodig van professionals
die in staat zijn algemene regels toe
te passen op concrete gevallen. Daarom
zijn overheden voor het bereiken van
hun doelstellingen in toenemende mate
aangewezen op hun expertise. De
handelingsvrijheid die dat met zich
meebrengt, wordt alleen dan niet
misbruikt wanneer de professional is
ingebed in een bestuurlijk regime dat
weliswaar controleert maar hem toch
een eigen verantwoordelijkheid laat.
Weer geldt dat bij uitstek voor het
hybride bestel van de Nederlandse
verzorgingsstaat, hoewel de boven
beschreven ontwikkelingen het
historisch opgebouwde vertrouwen in
hoog tempo dreigen af te breken. Veel
verzorgingsarrangementen zijn gesneden
op de maat van gisteren.
De nieuwe
vraagstukken die op ons afkomen,
vragen om pro-actieve dienstverleners
en om een institutioneel raamwerk dat
innovatie en vernieuwing faciliteert.
Een regime dat inhoudelijke
kwaliteitsbeheersing tot een zaak van
professional en instelling zelf maakt,
is beter in staat om deze omslag te
maken dan een waarbij de overheid dat
doet. Weer menen wij derhalve dat een
gemengd bestel als het Nederlandse
superieur is als het gaat om
vernieuwing en innovatie. Hoe kunnen
deze sterke punten beter worden
benut?
Ten eerste
moet ervoor worden gezorgd dat het
vertrouwen tussen professionals,
instellingen en overheden wordt
vergroot in plaats van afgebroken.
Overheden zouden niet alleen moeten
inzetten op het controleren van
instellingen en professionals, maar
ook op het wederzijds van elkaar leren
door professionals en
instellingen.
Ten tweede
zou de aandacht meer moeten uitgaan
naar koplopers dan naar
achterblijvers. Niet de slechten
moeten worden gestraft, maar de besten
beloond en de slechten geholpen.
Ten derde
moet er ruimte zijn voor
non-conformisme, pluriformiteit en
dwarsliggers. Daar komt immers de
vernieuwing vandaan.
Ten vierde
moeten verantwoordingssystemen
proportioneel zijn. Transparantie
lijkt een doel op zich te zijn
geworden, waardoor professionals en
instellingen worden overladen met
verslagleggingseisen en aan hun
eigenlijke werk nauwelijks toekomen.
Onderzoek eerst nuchter wie wat om
welke redenen dient te weten en pas
daaraan de verantwoordingseisen
aan.
En ten
vijfde moet ook het toezicht
proportioneel zijn. Instellingen
krijgen momenteel ware kerstbomen aan
toezichthouders omgehangen. Ook dat
schiet zijn doel voorbij en kost
handenvol geld. Vraag ook hier
nuchter: welk type toezicht is
functioneel?
Wij
suggereren niet hiermee het antwoord
op alle vragen te hebben. Wel staan
wij een meer coherent
besturingssysteem voor, dat dynamisch
is en een open karakter heeft. Omdat
de overheid nooit over alle kennis kan
beschikken om precies te weten wat
goede, betaalbare en toegankelijke
dienstverlening is, kan zij ook niet
een eenduidige normatieve doelstelling
opleggen. Het primaat ligt derhalve
bij instelling en professional. Want
in de directe relatie met leerling,
huurder, patiënt en werkzoekende moet
steeds opnieuw het bewijs van goede
dienstverlening worden geleverd.
Op
dit artikel rust auteursrecht van NRC
Handelsblad BV, respectievelijk van de
oorspronkelijke auteur.