| |
Emergentie
(opduiken, verschijnen) is een term
uit de complexiteitswetenschap,
waarmee wordt bedoeld dat
systeemeigenschappen spontaan ontstaan
door interactie tussen delen (Meijers,
2002, p.85); een lineaire
oorzaak-gevolg relatie is niet aan te
wijzen en bewuste coördinatie
ontbreekt. Bekend voorbeeld uit de
biologie is de mens, die uniek is en
voortkomt uit een complex groeiproces
waarin zich ontwikkelende
lichaamsdelen elkaars ontwikkeling
beïnvloeden.
Met
een titel waarin hij stelt dat
leiderschap eveneens 'verschijnt', en
dat zelforganisatie en ethiek daar
iets mee te maken hebben, kondigt
Griffin aan dat hij geen gebaande
paden betreedt bij zijn bespreking van
het thema. Uitgangspunt en conclusie
in zijn boek is dat leiderschap
ontstaat in de continue interacties
tussen mensen. Bijvoorbeeld: in
gesprek met de één ben je dominant,
in gesprek met de ander sensitief, een
derde verwacht advies van je, en een
vierde wil dat jij een knoop voor hem
doorhakt. Wie leidt en wie volgt? En
wie ben je zelf in al deze contacten?
Griffin stelt dat iedereen uit de
almaar doorgaande opeenstapeling van
dit soort ervaringen een relatief
stabiel zelfbeeld construeert.
Vervolgens gaat dit zelfbeeld
(bijvoorbeeld
"ik ben een leider") een rol
spelen in de interactie met anderen,
en onderhandelen we om de ander ertoe
te bewegen je als … te zien, terwijl
de ander hoopt jou te kunnen overhalen
hem als … te beschouwen.
Leiderschap, als relatief stabiel
fenomeen, ontstaat dus in complexe
communicatie- en
onderhandelingsprocessen tussen
mensen. Dit almaar doorgaande proces
noemt Griffin 'participatieve
zelforganisatie in het levende heden'.
Participatief omdat iedereen erin
meedoet en een gelijke bijdrage heeft;
zelforganisatie omdat er geen sturing
van buitenaf aan te geven is; in het
levende heden omdat het proces hier en
nu plaatsvindt: het is niet te
plannen, te instrumenteren, van
buitenaf of van te voren te sturen.
Wie stuurt participeert per definitie
in het proces; het is onmogelijk om
'erbuiten' te staan.
Het
boek is geschreven om voor het
voetlicht te brengen dat dit
perspectief op leiderschap compleet in
tegenspraak is met hoe we gewoonlijk
over leiderschap denken. Het is immers
gebruikelijk om 'leiderschap' te
beschouwen als een eigenschap of
competentie van het individu, en om
'leiding' te beschouwen als iets wat
van buitenaf aan een groep of
organisatie opgelegd kan worden.
Tenslotte heeft het perspectief
gevolgen voor de wijze waarop we
leiders gewoonlijk verantwoordelijk
houden voor 'ethisch gedrag', van
henzelf en van de organisaties waaraan
ze leiding geven.
Leiderschap
als persoonskenmerk of competentie. We
zijn gewend om leiderschap te
beschouwen als kenmerk of competentie
van een autonoom, onafhankelijk en van
zijn sociale omgeving afgescheiden
individu. Op basis van concrete
ervaringen met leiders hebben we
criteria bedacht waaraan we 'echte
leiders' en 'potentiële leiders'
menen te kunnen herkennen. Als we deze
criteria als gegeven gaan beschouwen,
en aannemen dat iemand die er eens
effectief mee was er altijd effectief
mee zal zijn, doen we volgens Griffin
iets vreemds. We geven namelijk een
kritisch oordeel over de geschiktheid
van criteria in het hier en nu op.
Wanneer we criteria universeel
toepasbaar verklaren, maken we er 'cultwaarden'
(Mead, 1908, in Griffin, 2003) van: we
abstraheren van onze dagelijkse
ervaringen en creëren universele
normen, bijvoorbeeld voor leiderschap.
Dan zeggen we bijvoorbeeld:
leiderschap is charisma,
ondernemerschap en initiatief. Op dat
moment worden de waarden een
identiteit: ik heb charisma en ik ben
ondernemend. Cultwaarden gebruiken we
om onszelf of organisaties te
definiëren en om andere
interpretaties af te wijzen. Dat heeft
een functie, mensen en organisaties
kunnen niet zonder identiteit. Maar
ook een functie die kan ontaarden in
irrationele, destructieve processen.
Cultwaarden verstarren als we ze niet
dagelijks terugvertalen tot voor
iedereen werkbare afspraken. Het
terugvertaalproces van cultwaarden
naar functionele waarden is per
definitie conflictueus, omdat dan
tijdens het terugvertalen zal blijken
dat iedereen in de praktijk iets
anders verstaat onder bijvoorbeeld
charisma, ondernemerschap en
initiatief.
Alleen
in de dagelijkse participatieve
zelforganisatie is volgens Griffin
daadwerkelijk leiderschap aan te
treffen. Leiderschap is dan in
essentie het actief omgaan met
verschillen. Niet in de theorie, niet
als visie (= cultwaarden), maar in de
voortgaande conflictueuze
onderhandelingen tussen mensen over
welke interpretaties van het verleden
(of over leiderschap) ze hanteren om
hun toekomst te creëren. Leiding als
iets dat van buiten komt. Wie herkent
niet het voorbeeld waarmee Griffin
zijn boek start: Hoe is het mogelijk
dat mensen, die zelf wonen in de
omgeving van de fabriek waar zij
werken, die jarenlang werken in een
productieproces waarvan zij weten dat
het hun eigen grondwater vervuilt en
die ziek worden van de gevolgen
daarvan; hoe is het mogelijk dat deze
mensen 'het systeem' (de organisatie,
de leiding) daarvan de schuld geven?
Griffin bouwt zijn boek op rond een
paradox die hij voortdurend aantreft
in het denken over organisaties. Aan
de ene kant van de paradox beschouwen
mensen zich, vanuit de sociologische
traditie, als gevormd door 'systemen'
(bijvoorbeeld families, onderwijs en
organisaties). De systemen waar mensen
deel van uitmaken bepalen hun
handelen. Aan de andere kant van de
paradox zijn we ervan overtuigd dat we
onze ratio kunnen gebruiken om
systemen van buitenaf te leren kennen.
Van buitenaf kun je bepalen hoe het
systeem (bijvoorbeeld een groep of de
organisatie) werkt, wat je van het
systeem wil en hoe je het systeem kunt
sturen. Deze kant van de paradox is
gangbaar uitgangspunt voor het denken
over en het opleiden van leiders.
Leiders ontwikkelen hun bewustzijn zo
dat zij het systeem 'van buitenaf'
kunnen waarnemen, doorgronden en
beoordelen, zodat zij op grond daarvan
kunnen besluiten wat goed is voor het
systeem en dit besluit kunnen
implementeren. Deze paradox kan de
basis leveren voor de elitaire
opvatting dat alleen zeldzaam
geschikte mensen, 'leiders', zich uit
systemen kunnen losmaken om deze 'van
buitenaf' te sturen. Een andere
oplossing voor de paradox wordt
gevonden (bijvoorbeeld Peter Senge, 1990)
door leiders zowel als deel van (en
gevormd door) het systeem te
beschouwen, als stuurders van het
systeem van buitenaf. De ene keer
volgt de 'verlichte leider' (of
opleider!) de groep op haar
constructieve, zelfsturende wegen; de
andere keer grijpt hij in en stuurt
hij de groep weg van destructieve
paden… Maar hoe kan de leider weten
wanneer te volgen en wanneer te
sturen? Hoe weet de leider wat 'goed'
is? Volgens Griffin wordt in dit soort
redeneringen duidelijk dat er iets
fundamenteel niet klopt in het
systeemdenken.
Als
alternatief stelt Griffin voor op te
houden te geloven in al onze
reïficaties. Dit is de gewoonte om
taal zo te gebruiken dat concepten op
dingen gaan lijken (res = ding). We
reïficeren of 'verdingen'
organisaties als we zeggen 'de
organisatie wil…'; we reïficeren
het management als we zeggen 'het
management zegt…'. We reïficeren
leiderschap als we zeggen 'leiderschap
is…'. We reïficeren systemen,
regels, wetten, procedures,
hypotheses, culturen, strategieën,
plannen, de toekomst en het verleden….
We maken ons onderschikt aan 'grotere
gehelen' die volgens Griffin niet
werkelijk bestaan. Met al deze
reïficaties over waar het grote
geheel naar toe wil, leiden we de
aandacht af van onze eigen
verantwoordelijkheid. We kunnen ons
eigen leiderschap bijna niet meer
waarnemen. We verliezen ons vermogen
om samen, in het hier en nu, op grond
van onze eigen ervaringen en inzichten
te bepalen hoe we het in de toekomst
willen hebben. Reïficaties leiden de
aandacht af van ieders participatie
(noem het persoonlijk leiderschap) aan
processen van zelforganisatie in
organisaties.
Ethisch
leiderschap. Griffin
beschrijft ook hoe wij, als erfenis
van het Modernistisch denken, geloven
dat we eerst denken en dan pas
handelen. Door deze scheiding in de
tijd, geloven we, wordt ethisch
handelen mogelijk. We nemen aan dat er
een soort 'contract' bestaat waarin
iedereen verantwoordelijk is voor de
gevolgen van zijn handelen, en waarin
iedereen geacht wordt van tevoren
rationeel over die gevolgen na te
denken. Allerlei ethische praktijken,
regels en wetten (de codes) kunnen we
betrekken in onze rationele afweging
van 'wat te doen'. Bijvoorbeeld:
"Elke burger wordt geacht de wet
te kennen". De dominante gedachte
is dat we tijdens ons handelen moeten
kunnen refereren aan deze ethische
codes. Kunnen we dat niet, en zijn de
gevolgen van ons handelen ongewenst,
dan zijn we schuldig aan onethisch of
onprofessioneel handelen. Op de een of
andere manier, nemen we aan, zijn
leiders beter dan anderen in staat om
de gevolgen van handelen te overzien.
Precies dat maakt hen het navolgen
waard. We vertrouwen ons oordeel over
de gevolgen van ons handelen aan hen
toe. We werken willens en wetens in
vervuilende productieprocessen en
menen dat onze leiders
verantwoordelijk zijn voor de gevolgen
ervan. Deze opvatting over ethiek en
leiderschap is sterk verouderd en
onjuist, stelt Griffin.
Als
alternatief biedt hij niet het
postmoderne loslaten van ethiek, maar
de opvatting van G.H. Mead (1934) dat
ethiek gaat over het onderhouden van
identiteit. Cultuur, identiteit en
ethiek zijn volgens Mead geen dingen
die buiten de dagelijkse werkelijkheid
bestaan. Ze maken onderdeel uit van de
identiteit van groepen mensen en
dienen om deze identiteit, de
continuïteit én de verandering
ervan, te handhaven. De betekenis van
acties en de gevolgen ervan kunnen -
in dit denken - niet van tevoren
bepaald worden. Griffin stelt, met
Mead, dat de ethische interpretatie
van actie alleen gevonden kan worden
in de actie zelf, in het proces van
betekenissen ontdekken terwijl je
bezig bent, betekenissen die je van
tevoren niet kunt bedenken. Ook
ethiek, stelt Griffin dus, is een
emergent verschijnsel dat voortkomt
uit onze dagelijkse conflicten en
onderhandelingen over betekenissen van
acties (o.a. van leiders). Niemand,
ook een leider niet, kan van tevoren
weten hoe zijn acties geïnterpreteerd
zullen worden. De voorbeelden hiervan
zien we dagelijks in de politieke
commentaren in de media.
Meer
over complexe interactieprocessen.
Griffin stelt met zijn 'participatieve
zelforganisatie in het levende heden'
het denken over leiderschap
fundamenteel ter discussie. Griffin
staat hierin niet alleen, zijn boek is
onderdeel van een serie waarvan ook
Ralph Stacey (Froukje Wirtz
interviewde hem in 2000 voor O&O)
en Patricia Shaw trekkers zijn. Het
mooie aan deze serie is dat de auteurs
vanuit hetzelfde uitgangspunt (complex
responsive processes als uitdaging
voor systeemdenken) ieder een eigen
thema uitwerken: onder andere
leiderschap, gesprekken, beheersing en
kenniscreatie. Griffin's boek is, door
zijn streven aan te sluiten bij
filosofische tradities, abstract en
moeilijk toegankelijk. De waarde van
het boek is dat hij op vele valkuilen
in het denken over organisaties en
leiderschap wijst. In haar boek
Changing Conversations in
Organizations benadert Patricia Shaw
dezelfde thematiek door haar concrete
ervaringen te beschrijven. Ze trekt de
ultieme consequentie uit Griffin's
betoog en weigert van haar ervaringen
een theorie te maken. Ze gebruikt geen
jargon, bijvoorbeeld 'action learning',
'leerlaboratioria' of zelfs
'leiderschap', om gesprekken te
beschrijven waarin organisaties
veranderen. In plaats daarvan heeft
Shaw het over rommelige conversaties
waarin mensen samen een nieuwe
betekenis geven aan wat ze doen. Deze
gesprekken veranderen volgens haar
organisaties wanneer de enabling
constraints ('machtigende
begrenzingen', of 'in staat stellende
belemmeringen') die mensen met elkaar
afspreken, verschuiven. Voorbeelden
van enabling constraints zijn
functiebeschrijvingen,
trainingsprogramma's en opvattingen
over organisatieontwikkeling. Als gaan
deze schuiven - in gesprekken - voelen
mensen ruimte om te veranderen. En dat
is wat Griffin wel degelijk bereikt:
hij brengt enabling constraints over
leiderschap en ethiek aan het
schuiven. Patricia Shaw treedt 28
november a.s. op als gastspreekster op
het jubileumcongres van het Netwerk
Vrouwelijke Organisatie Adviseurs (ook
voor mannen).
Meer
informatie? Mail aan Lise Jeths: jethsconsultancy@tref.nl
Literatuur:
- Griffin,
D. (2002). The emergence of
leadership; linking
self-organization and ethics.
London, Routledge, 227 p.
- Mead,
G.H. (1908). The philosofical
basis of ethics. International
Journal of Ethics, XVIII. p.
311-323.
- Mead,
G.H. (1934). Mind, Self and
Society. Chicago, University of
Chicago Press.
- Meijers,
H (2002). Vernieuwend
systeemdenken in organisaties. In:
F. van Eijnatten, , M. Kuijs &
J. Haffmans, Verdieping van
chaosdenken; theorie en praktijk.
Assen, Van Gorcum, 168 p.
- Senge,
P. (1990). The Fifth
Discipline; The Art and Practice
of the Learning Organization. New
York, Currency Doubleday, 423 p.
- Shaw,
P. (2002). Changing
conversations in organizations; a
complexity approach to change.
London, Routledge, 189 p.
- Stacey,
R. D., D. Griffin & P. Shaw,
2000. Complexity and
Management: fad or challenge tot
systems thinking?, London,
Routledge.
- Wirtz,
F.D., (2000). De zon en de zee
springen bliksemend open; een
interview met dr. Ralph Stacey. In
Opleiding en Ontwikkeling, jrg. 4
- 2000, p. 5-8.
|
|